© http://pilgrimsplaza.blogspot.com © http://kustpelgrimspad.blogspot.com © pelgrimspad Overijssel © de route http://pelgrimspad-overijssel.blogspot.com © de verhalen http://pelgrimspad-zwolle-oldenzaal.blogspot.com © 1e traject http://pilgrimsplaza-zwolle-ommen.blogspot.com © 2e traject http://pelgrimspad-ommen-hellendoorn.blogspot.com © 3e traject http://pelgrimspad-hellendoorn-holten.blogspot.com © 6e traject http://pelgrimspad-oldenzaal-denekamp-oldenzaal.blogspot.com © 26 © 30-12-7 Pelgrimspad Overijssel op Radio West
Enkele verhalen van deze site zijn op dodenherdenkingsavond van 4 mei 2008 besproken in een interview met Paul Waayers. Deze 2 uur durende uitzending kan nog worden teruggeluisterd op http://televisie.westonline.nl/archief/programma_overzicht?id=11 > Hot Talk van 05-05-2008.
De reconstructie op internet van de 3e Bondswandelweg Zwolle-Oldenzaal uit 1916 veroorzaakt nieuwe pelgrimages naar de mooiste tuinpaden van onze voorvaderen in het Overijsselse. Einddoel is een dunherdruk van de dan 100-jarige wandelgids in 2016.
Hier volgt de routebeschrijving van het 2e traject Ommen-Hellendoorn. (volgt)
De hele route staat op http://pelgrimspad-overijssel.blogspot.com
De verhalen staan op http://pelgrimspad-zwolle-oldenzaal.blogspot.com
Het 1e traject staat op http://pelgrimspad-zwolle-ommen.blogspot.com
Het 2e traject staat op http://pelgrimspad-ommen-hellendoorn.blogspot.com
Het 3e traject staat op http://pelgrimspad-hellendoorn-holten.blogspot.com (volgt)
Het laatste (6e ?) traject staat op http://pelgrimspad-Oldenzaal-Denekamp-Oldenzaal.blogspot.com (volgt) Terug naar de homepage http://pilgrimsplaza.blogspot.com.
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
Onderstaande oproep hing destijds op het prikbord in de hal van het bejaardencentrum Het Uiterjoon (dat is de laatste boei aan een heel lang visnet) tegenover de vis- afslag aan de haven op het duin te Scheveningen. Zegt het voort! -gb
Kerst 2007
Wie was in Twilhaar?
Geachte bewoners,
Wij zoeken Scheveningers (of familie van hen) die in het begin van de oorlog in het Rijkswerkkamp Twilhaar in de bossen op de Holterberg bij Nijverdal in Twente zijn geweest.
Den Haag
070 323 89 56 (liefst rond 21 uur)
enkele citaten en bronnen:
http://www.geocities.com/twilhaar/geschiedenis.htm , http://www.geocities.com/twilhaar/terugnaartwilhaar.htm , http://nl.wikipedia.org/wiki/Rijkswerkkamp_Twilhaar , http://www.4en5mei.nl/oorlogsmonumenten/zoeken/monument-detail/_rp_main_elementId/1_16188 , http://shmyl.com/yhs
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
November slachtmaand
Met medewerking van Dieks Horsman hierbij uit ’t Lemels Arfgoed * een aflevering uit de serie Oude ambachten en werktuigen. Dit verhaal past in het historische besef dat het aantal ooggetuigen en ervaringsdeskundigen aan het slinken is en we zijn dan ook zeer verheugd om dit mooie stukje oral history uit de eerste hand langs dit traject te kunnen vastleggen:
Novembermaand, slachtmaand
November was voorheen het moment in het jaar om de vleesvoorraad voor de winter weer aan te vullen. Een varken had dan een eenmalige ontmoeting met de (huis)slager voordat ze op de ladder terechtkwam. Indien er een pink (jonge koe) werd geslacht werd deze vaak op de deel aan de balken opgehangen, dit vanwege de grotere lengte van de koe. Een heel ritueel van het maken van worst, balkenbrij, nagelhout, hoofdkaas, rolpens, zijden spekken, pekelen en zouten volgde op de slacht. Hierbij bleef niets van het varken of de koe ongebruikt. “Alles voelde na die drukke dagen vettig aan” weet Dina zich nog te herinneren.
Geen diepvries, geen koelkast, geen supermarkt om de hoek. In het begin van de vorige eeuw was het een behoorlijke opgave om op het platteland een goede wintervoorraad aan te leggen. De Keulse pot, de pekelton, de weckfles, zuren, zouten en drogen waren de enige mogelijkheden die de boer en boerin ter beschikking hadden. Ze moesten zorgen voor heel wat voedsel in de kelder, want in de wintermaanden was er moeilijk wat te krijgen. In die hele zelfvoorziening nam de huisslacht en het bewaren van vlees en vleesproducten een zeer belangrijke plaats in. Tot de jaren vijftig, zestig heeft het zelf slachten en vlees verwerken standgehouden.
Tot de diepvries kwam en “det was een hele uutkomst” volgens Dina Klein Horsman. “Wie slacht’n in november meestal een pinke en in februari een varken. Gerrit Jan deed alles zelf, eerst nog wel samen met z’n vader Gerard en Gerrit van de (vege winkel) Kèmpe maar later vaak alles alleen. De pinke hung de hele dag op de delle an ’n balk’n, terwijl de koeien d’r vlak noast stonden. Er werd nog wel een wit laken omheen geknoopt maar toch, ik denk dat dit nu niet meer zou kunnen.
Wie begunn’n ’s morgens al um vief uur. Met ’n slagpen (pistoolvorm) werd de koe gedood en onmiddellijk estokken. Met de koekepan werd het bloed opgevangen. Dit moest eerst wel goed worden geroerd totdat het was afgekoeld. Anders kreej allemoal stolsels. ’t Vel werd er met de biele af ehouw’n. Eerst een klein stukkie met het mes wat dan strak op een stok werd gerold. Door de huid strak te houden met het oprollen op de stok kon met de bijl het vel er als het ware worden afgekloofd. De huid werd verkocht.
Als de koe eenmaal hing moest deze eerst afkoelen, afsterven. Ondertussen kon er die dag al wel worden begonnen met het schoonmaken van de darmen. De darmen werden binnenste buiten gekeerd en schoon geschraapt met ’n lepel. Een smerig karweitje, maar tja, waar moest je anders de worst mee maken. Kunstdarmen waren er toen nog niet. Ook de pens werd binnenste buiten gekeerd en schoongemaakt met kalk. Hiervan werden later zakjes genaaid om rolpens van te maken. Rolpens bestond uit vlees, kopvlees, hart en nieren. Dit werd gekookt en in de penszakken gedaan. De penszakken verdwenen in de Keulse pot, gevuld met azijn. Voordat de rolpens werd gegeten werd deze na het zuren opnieuw gekookt en men penszak en al in plakken gesneden en gegeten. Dit was een fijn stukkie vleis, speciaal de pens (soort wit vlees) werd een knappende butenkaante.”
“Werd de tong ook in rolpens verwerkt?”. “Nee, biej gek, dat was wel ’t fijnste en duurste vlees van de koe. Gekookte tong was lekker op het brood, ’n bettie mostert erop; h’m, lekker. Tong kost noe geleuf ik wel € 12 de kilo.” Hoofdkaas werd gemaakt van vlees van en uit de kop. De kop ging hiervoor eerst in stukken in de kookpot. Het hoofdvlees werd in het zuur of in het zout in de Keulse pot samengeperst tot hoofdkaas.
De koe was ’s avonds voldoende afgekoeld om verder te worden verwerkt, afslachten genaamd. Dezelfde avond werden ook de naaste buren uitgenodigd op de slachtvisite. Het vlees werd gekeurd en de fles kwam op tafel. De hierop volgende dagen waren drukke dagen. Het ging erom zoveel mogelijk spek, ham en ribben van het dier te halen. De rest, waaronder het beste vlees, was bestemd voor de worst. Dat werd op een hakblok in fijne stukje gehakt. Later werd dit met een gehaktmolen gedaan. (’Met’ draaien).
Daarna werd het in de darmen geperst met een worsthoorntje. Een soort trechter waarop de darm werd gestroopt. Via het hoorntje werd het vlees met de duimen in de worst geperst. Maar eerst moet ’t ‘Met’ nog worden gekruid met zout, witte peper en groes. Als de worst klaar was dan werd deze vaak aan de zolder in de kamer boven de kachel gehangen. Op de grond werden meestal plastic en kranten gelegd omdat er vocht en vet uit lekte. Uit een meterslange darm kon je wel 50 worsten halen.
Niet elke boerderij had een eigen gehaktmachine. De familie Klein Horsman deelde deze machine met de familie Stoevelaar. “Hendrikje van Spieker (Heuver) uit de Meu ging met haar gehaktmolen de hele buurt af om worsten te maken.” Het vlees ging meestal gekookt in het zout in de vleeston of in de weckfles. Weckflessen moesten hierna regelmatig worden gecontroleerd of er ééntje open was gegaan. Dit kon je controleren door aan het deksel te voelen of deze nog vacuüm vastzat. Aan al dat bewaren zat een groot nadeel. Zonder dat het vlees bedierf ging het in smaak achteruit of werd het vies van smaak. Vlees en spek uit de pekelton werd vaak ranzig, veel te zout, of het begon sterk te ruiken. Boerenfamilies gruwelden als ze gelig vet spek zagen waar een ranzige smaak aan zat. Het moest wit zijn. Boeren hebben wel eens heel, heel beroerd gegeten, want een boer gooit dat niet weg. Die zegt “’t Is niet lekker, maar ik eet ’t toch op.”
Op ziekenbezoek bij Jan Aitink, Hallinkskaamp -herstellende van een openhartoperatie- leverde de volgende informatie op. “Op de kleinere boerderijen werden biena nooit koeien eslacht. Men was al blieje dat ze ’n varkentje over hadd’n. ’t Varken werd altied wel extra evoerd met aardappelen, gerste- of roggemaal, maispap of zuute melk. Ook de restjes van ’t etten gingen naor dit varken toe. Speciaal van zuute melk kreej mooi fijn spek. Aj ‘n ‘stienties’ (baksteen dikte) spek had’n, dan haj een best varken met goed dik spek. Soms werd er in februari nog een keertje een varken geslacht, indien het vlees alweer bijna op was. Koeien werden alleen bij de grotere boeren geslacht. Vooral ’t nagelholt (gedroogde achterbout van de koe) was hierbij een fijn stukkie vleis wat zich lang niet iederiene kon veroorloven”.
Van het varken werden spekken, ham, ribben en worst gemaakt. Van de losgetrokken reuzelstukken werd het vet gebruikt voor op brood of bij het braden van spek of vlees. Reuzel werd ook wel in stukjes gesneden en tot ‘kaagjes’ uitgebakken en gegeten op brood. Ook het maken van specifieke gerechten maken als hoofdkaas, balkenbrij, leverworst, bloedworst en bloedkoek behoorde tot de slachtwerkzaamheden. “Bloedkoeke was vaak wat groffer van structuur duur ’t gebroekte roggemaal.” Anekdote van Jan: “’n Dominee kwam ok wel is met etten. Met z’n all’n um de panne met bloedkoeke. Kreeg hij opeens een wat groot stuk in de mond en kreeg dit niet doorgeslikt. Waarop de boer zei “O, gooi mar terugge, det stuk heb ik ok al drie keer in de mond ehad”. Ast woar is, ist mooi”, voegt Jan er lachend aan toe.
De slagers trokken van boerderij naar boerderij om hun werk te verrichten. In Lemele waren G. van Driessen, Vlaskamp (onderduiker uit Schanebroek), Gerard Klein Horsman (Garrard v.d. Kempe), Jans Kampman en Jans de Lange al of niet bevoegd actief als huisslager. Maar ook veeverloskundige Schoemaker stond zijn mannetje als de nood aan de man kwam. Daar lag de schoongeboende ladder al klaar op het erf, waar het karwei zich zou afspelen. Even verderop lag schoon stro om het varken na de doodslag –bijl of later slagpen- met kokend water uit de kookpot de haren van het dier te schrobben. Maar eerst werden bij het varken de poten stevig aan elkaar geknoopt. Op de goede afloop werd overigens dikwijls eerst alvast een borrel gedronken. Na de doodslag volgde snel het doorsnijden van de hals en het eruit gutsende bloed werd haastig in emmers opgevangen. Het lijkt of het allemaal een fluitje van een cent was, maar in de praktijk ging het vaak helemaal niet zo gemakkelijk. Het gegil van het varken was dikwijls in de wijde omtrek te horen.
De worsten, hammen en spek aan de zoldering kwamen in zekere zin ook pronkstukken. De boerenfamilie kon laten zien en proeven dat ze veel en goed vlees in huis hadden. Bij een buurtvisite in onze omgeving eindigde het bezoek steevast in het drinken van koffie met brood en een stuk worst of ham van de zolder. Zodat de visite met de beste indruk de boerderij verlaten kon. Om de worsten van de zolder te kunnen halen was een speciale ‘gaffel’ gemaakt. Hiermee konden de worsten van de zolder worden gelicht en omlaag worden gehaald. Tot in de jaren vijftig bleef de huisslacht zonder keuring intact. De laatste huisslachtingen vonden plaats in 1968.
w.g. Gerrit en Gerrit Jan.
Met dank aan Mevrouw Dina Klein Horsman en Jan en Dina Aitink.
* Voor informatie over ’t Lemels Arfgoed:
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
Pelgrimeren naar de mooiste tuinpaden van onze voorvaderen in het Overijsselse.... © Foto Van Rossem 2007.
Wilt u reageren? Zie hieronder 1 Comments.
